[TNO-logo]
Museum logo

MUSEUM "WAALSDORP"

Meer herinneringen

 

Eigen werk

Er werd om te beginnen veel aan reparatiewerk gedaan: alles wat thuis ook maar kapot ging, werd op het laboratorium gerepareerd. Daarnaast maakten we van alles en nog wat (een hanglantarentje met niet minder dan 116 koperen klinknageltjes bijv. heb ik nog thuis). Er werd zoveel mogelijk geprobeerd om maar zo weinig mogelijk te produceren en toch zogenaamd aan het werk te zijn. Het was de kunst van het camoufleren, waar iedereen aan mee deed. Naast individueel werk werd in stilte ook gewerkt aan een serie elektrische klokken voor eigen gebruik. Om geen argwaan te wekken werd het werk in onderdelen gesplitst en verdeeld. Zo’n fraaie, geheel metalen tafelklok heeft nog bij ons thuis dienst gedaan. Hij liep op (toen nog) 127 volt netspanning.

Ik herinner me ook nog, dat er op een of andere manier een partij koolzaad was bemachtigd door een van de ouderen. Om de olie er uit vrij te krijgen werd een pers gemaakt, bestaande uit een soort wormwiel, draaiend in een cilinder. Het geheel werd op de freesbank vastgezet en ingeschakeld. Het koolzaad kwam via een trechter in het wormwiel terecht, waardoor het werd vermalen en samengeperst. De olie drupte in een bakje en de pulp kwam als een vaste worstmassa uit de cilinder. Het werkte niet echt lekker.

Bart Koppenberg kon aan straatpekel komen uit de gemeentelijke opslagplaats. De pekel werd opgelost in water en d.m.v. filterpapier gezuiverd. Vervolgens werd de oplossing op een kookplaat aan de kook gebracht, waardoor het water verdampte en het zout achter bleef, bestemd voor eigen gebruik en bijverdienste. Toegepaste natuurkunde dus! En later maakten we zogenaamde majo-kacheltjes (ook wel sovjet-kacheltjes genoemd), bedoeld om met heel weinig brandstof te kunnen koken (en verwarmen).
Een majo bestond uit twee ijzeren pijpstukken in elkaar: een open buitenmantel van plm. 20 cm hoog en 15 cm in doorsnee en een binnenpot met vuurrooster (van grote spijkers), minder hoog en wijd. Het apparaatje werd boven op de kolenkachel gezet, nadat daarvan de deksel was afgelicht. Vervolgens werd er gestookt met alles wat er maar brandbaar was. Soms was er nog een restje antraciet. De verbrandingsgassen streken langs de pan met het schaarse voedsel die er bovenop stond en werden via de buitenmantel - die lekker warm werd - door de schoorsteen afgevoerd. Het kacheltje was een wonder van vernuft en een redding in de hongerwinter.

Nieuws van overzee

In de instrumentmakerij, bij de werktafel van Tabbernee - in de verste hoek vanaf de gang - stond op een kast achter wat dozen een radio, afgestemd op de (ontstoorde) zender ‘Radio Oranje’ vanuit Engeland. Als de kust veilig was, werd hij snel aangezet en de schuifdeuren naar de gang gesloten, met een ‘wachtpost’ die door een kier keek. Als Sarfer of Suster in aantocht was, werd de zaak vliegensvlug weer op ‘normaal’ gebracht en was iedereen weer ‘braaf’ aan het werk. Ze vonden het soms wel vreemd de schuifdeuren dicht aan te treffen, want die stonden meestal open. Gedacht is daarom aan een elektrisch seintje vanuit een ‘voorpost’, maar ik kan me niet herinneren of dat is gerealiseerd. Ook voor de NSB’er, een wat kleurloze man, moesten we uitkijken. Ik weet nog, dat er een keer een verhoring is geweest door Sarfer, vanwege een of ander uit de hand gelopen ‘akkefietje’, waarbij hij dreigde met uitlevering aan de SD of SS. Gelukkig is het met een sisser afgelopen. De Vries heeft ons toen nogmaals op het hart gedrukt toch voorzichtig te zijn.

Gaarkeuken

De jongeren waren aangewezen om bij toerbeurt elke dag een gamel warm eten te halen bij een van de gaarkeukens in de stad, vermoedelijk was dat die in de Obrechtstraat. Daarvoor was een forse transportfiets beschikbaar, met boven het voorwiel een vierkante stalen drager, waarop de gamel kon staan. Met de lege gamel van de vorige werkdag ging de tocht naar de gaarkeuken, waar zwetende mannen met ontbloot bovenlijf in grote dampende ketels stonden te roeren met een soort roeispanen. Dat er daarbij wat transpiratievocht in het eten droop, deerde niemand.
Uit zo’n ketel werd ‘onze’ gamel voor driekwart vol geschept, waarna het deksel op de rand werd vast geklikt, het zware geval op de transportfiets gezet en met enkele riemen vastgesjord. Het rijden en manoeuvreren met de geladen transportfiets was bepaald geen pretje, vooral bij slecht weer. Was ‘de man met de fiets’ eenmaal langs de ramen rijdend gesignaleerd - je keek er rijkhalzend naar uit - dan haastte iedereen zich naar de kantine voor een (geëmailleerd) bakje eten, dat ter plekke werd opgelepeld. Wim Cramer was degene die meestal het opscheppen voor zijn rekening nam en dat werd gedaan met een halve liter vorm aan een lange steel.

Het eten bestond veelal uit een soort dunne stampot van koolsoorten, wortelen, bieten, bonen e.d. De bodemrestjes werden onder de jongeren verdeeld. Riem deed de afwas.

De Atlanticwall

Komend vanaf het stationnetje aan de Oude Waalsdorperweg kwam de muur in zicht, die door was getrokken als onderdeel van de ‘Atlantikwall’. De dikke betonnen muur had een soort trapeziumvorm en was zo’n drie meter hoog. Om het laboratorium te bereiken moest je door een opening in de muur, ‘voorzien’ van schildwachten. Op vertoon van een ‘Ausweis’ mocht je verdergaan langs het kamp van de Grüne Polizei (voormalig kamp Waalsdorp van de Grenadiers en Jagers), dat tussen de muur en het labterrein was gelegen. Het ging dus om ‘Sperrgebiet’. Vandaar het Ausweis dat alle ‘laboranten’ op zak hadden.

Het stationnetje Waalsdorp
Ik herinner me nog, dat toen we daar ‘s ochtends een keer aankwamen, een rupsvoertuig uit het kamp (bij wijze van oefening?) een plankier op reed, dat aan de kampkant tegen de muur was gebouwd. Aan de buitenkant was (nog) geen afrit, zodat het voertuig over de top heen omlaag dook in het zand en de bemanning eruit tuimelde. Vooral niet lachen, was het devies!
Dat doet me denken aan een eerder – minder prettig – voorval: ik liep met een collega vanaf het stationnetje richting muur, toen een paar Duitse officieren ons inhaalden en opzij drongen. ‘Danke’ zei ik, waarop een van hen terug kwam en snauwde: ‘Wàs danke’ en me vervolgens met de vlakke hand keihard om de oren sloeg. Uitkijken dus!

Een muur behorende tot de Atlanticwall

Grasduinen

We gingen als jongeren, tussen de middag en bij goed weer, wel de vlakte op of de duinen in om te ‘grasduinen’. Er stonden op zo’n 50 meter uit elkaar een tweetal zendmasten van 65 meter hoog, op kleine afstand van het laboratorium aan de kant van de duinen. We klommen daar wel eens in om de omgeving te bekijken of om zelfgemaakte vliegtuigjes van balsahout los te laten. De masten hadden op de top een plateautje van ongeveer 2 x 2 meter, waarop je dus gemakkelijk met een paar man kon staan.
Als je de borstwering vasthield en ritmisch ‘meegaf’ (zoals bij een schommel) met 2 of drie man, dan zag je de mast bewegen t.o.v. de fundering. Overigens kon je van die hoogte natuurlijk van alles en nog wat in het Duitse kamp zien. Wim Cramer kwam op een keer met een heus kanonnetje aanzetten, een voorlader van plm. 20 cm lang, compleet met kogels en kruit, alles eigen werk. Deze ‘vuurmond’ hebben we in de duinen afgeschoten: het werkte perfect! Een opgestelde metalen plaat werd bijv. doorboord, het was dus echt een dodelijk wapen. Ook maakten we bommetjes van stukjes ijzeren pijp. Eén kant werd in de bankschroef dichtgeknepen, dan werd eigengemaakt kruit (Wim Cramer) erin geschud en de andere kant dichtgeknepen. Vervolgens werden die ‘explosieven’ in de duinen tot ontploffing gebracht, door ze op iets brandbaars met kruit vermengd te leggen en dat aan te steken.
Je moest wel in dekking, want ook dat was gevaarlijk ‘speelgoed’ (maar je werkte tenslotte in een laboratorium). Voor ontdekking hoefden we niet bang te zijn, want er werd vaak in de duinen geschoten door de Duitsers. Zowel in het kamp als op het lab was er dus geen argwaan. De ‘ouderen’ hebben waarschijnlijk nooit geweten wat we uitspookten.

 


Lamp uit 'afval' (1940)

     


Museum Homepage